.

Geschiedenis

Ontstaan van de huidige Geestelijke Verzorging

28 augustus 1914 is te beschouwen als de startdatum van de moderne Geestelijke Verzorging. Op die datum benoemde koningin Wilhelmina, bij Koninklijk Besluit, vier aalmoezeniers en acht veldpredikers bij het leger te velde.
Geestelijke verzorging van militairen was op zich niet nieuw. Voor die tijd waren er al veel officiële regelingen en voorschriften in zake geestelijke verzorging, maar deze hebben, vrijwel allen, betrekking op de zielzorg in het garnizoen. Veel gebruikte functiebenamingen zijn dan ook garnizoenskerk, garnizoenspastor en garnizoenspredikant.
In het Recueil Militaire, "bevattende wetten, Besluiten en Orders betreffende de Koninklijke Nederlandsche Landmagt", welke in 1815 voor het eerst is verschenen, staat al een eerste Koninklijk Besluit over geestelijke verzorging van 23 november 1818:
"In alle plaatsen, waar de aalmoezeniers zich niet met er woon bevinden, noch de dienst op zon- en feestdagen kunnen verrigten en waar zulks noodig mocht wezen, zal door den aalmoezenier-generaal, onder goedkeuring van beide voornoemde departementen (nl. van Oorlog en van Zaken van den Roomsch Catholijken Eeredienst), een dienstdoende Priester worden gedesigneerd, die, in geval van nood, en bij onvoorziene plotselijke toevallen, de herderlijke pligten voor de militairen zal verrigten".
NB. Koning Willem I benoemde begin 1818 J.A. Buydens tot Aalmoezenier van het Nederlandsche leger. Deze op zijn beurt stelde vijf aalmoezeniers aan met als standplaats Brussel, Bergen, Gent, Antwerpen en Utrecht. Buydens werd bij KB van 7 januari 1827 ontslagen en niet opgevolgd. Ten behoeve van bovengenoemde gedesigneerde priesters werd ook een bedrag voor "gratificatiën" bepaald. Voor deze gratificatiën kwamen 55 pastoors, 39 in het tegenwoordige Nederland en de overigen in België, in aanmerking.
Wat hield die garnizoenszielzorg, die praktisch gesproken tot 1940 heeft bestaan nu in? De parochie en gemeenten hadden naast de gewone kerkleden nog een toegevoegd aantal militairen geestelijk te verzorgen. Met name op zon- en feestdagen dienden de militairen de gelegenheid te hebben om een kerkdienst bij te wonen. Dit kon een aparte kerkdienst zijn, maar ook een kerkdienst voor "burgers" waarbij er al dan niet gereserveerde plaatsen voor militairen waren. Voor minderjarige militairen gold als regel het instituut van de kerkparade. De militaire kerkgangers moesten aantreden, werden gesplitst in een katholieke en een protestantse groep, zonder verder onderscheid in de laatste, en vervolgens naar de kerk afgemarcheerd en na de dienst weer terug. Die kerkparade kwam in een wat andere vorm (afmarcheren naar de lessen geestelijke verzorging) ook ruim na de Tweede Wereldoorlog nog voor.
Deze garnizoenszielzorg was niet echt intensief. Onder andere werd op een jaarvergadering van de Nederlandsche Militaire Bond, de organisatie waartoe de Protestantse Militaire Tehuizen behoorden, ervoor gepleit, in de grotere garnizoenen, "één der predikanten meer in het bijzonder als herder en leeraar voor de militairen te doen optreden". Voor de uitvoering van dat plan schoten echter de (bonds)financiën te kort. Militaire tehuizen speelden een grote rol in de geestelijke verzorging van militairen. Als startdatum daarvan kan worden gezien de oprichting van de (rooms katholieke) Militair Geestelijke Vereniging in oktober 1856 en de oprichting van de protestantse tegenhanger, de "Nederlandsche Militaire Bond" op 28 oktober 1874. Directeuren van militaire tehuizen (met name voor wat betreft de Katholieke Militaire Tehuizen) waren vaak tevens garnizoenspastor, of namen die functie waar.
In 1914, met de mobilisatie, trekken de militairen weg uit de garnizoenssteden, de garnizoenszielzorg wordt grotendeels overbodig en de meeste tehuizen missen hun vaste klanten. Omdat de militairen te velde vooral gelegerd werden in de zuidelijke provincies, was dat meer nadelig voor de protestanten dan voor de katholieken. Voor de laatsten stonden de plaatselijke priesters wel klaar, hoewel de grote aanwas van geloofsgenoten wel voor problemen zorgden. Kort na aanvang van de mobilisatie bedroeg de sterkte van het leger ongeveer 200.000 man, aan het einde van de mobilisatie was dit rond 450.000 man.
In augustus 1914 was het Nederlandse volk ongerust. Hoe zou het verder gaan? Welk lot zou zich voltrekken over de mannen onder de wapenen? Daarbij werd natuurlijk gevraagd om geestelijke verzorging voor de militairen.
In 1913 was daar al gedeeltelijk invulling aangegeven. Een Koninklijk Besluit van 9 april 1913 "houdende de samenstelling van de strijdmacht op voet van oorlog" had bij de divisiestaven "pro memorie" aalmoezeniers en veldpredikers geplaatst. In 1914 werd verzocht dit in te vullen, onder andere door de Nederlands hervormde kerk in een brief aan de minister waarin staat: "De Algemeene Synode der Nederlandsch Hervormde Kerk richt zich bij dezen eerbiedig tot Uwe Excellentie met de vraag, of Uwe Excellentie het niet gewenscht zou achten, dat predikanten zich beschikbaar stellen om dienst te doen als veldpredikers, genoemd in artikel 9 van het Tractaat van Genève.

De Synode vetrouwt, dat aan den oproep, dien zij bereids besloten heeft tot de Predikanten en Candidaten tot den Heiligen Dienst te richten, ruimschoots gehoor zal worden gegeven, zoodat zij meent weldra een aantal veldpredikers aan Uwe Excellente te kunnen voorstellen, naardat zal blijken noodig te zijn".

Bij Koninklijk Besluit van 28 augustus 1914, nr 23 worden de eerste veldpredikers en aalmoezeniers aangesteld.
Het komt mij thans, nu het leger gemobiliseerd is, wenschelijk voor, dat bij de staf der onderscheiden divisiën benoemd worden respectievelijk 1 aalmoezenier en 2 veldpredikers.
Ik heb mitsdien de eer Uwer Majesteit in overweging te geven wel in dien zin te willen beslissen en daartoe te benoemen tot Aalmoezeniers bij de staven der divisiën onderscheidelijk de Heeren (volgen 4 namen) en tot Veldpredikers bij de bedoelde staven (volgen 8 namen).
Alle bovengenoemde Heeren zijn mij, in antwoord op een tot den Aartsbisschop van Utrecht en tot de besturen van verschillende protestantse Kerkgenootschappen gericht schrijven, voor eene benoeming tot Aalmoezenier of Veldprediker aanbevolen.
Het zoude Uwe Majesteit tevens kunnen behagen te bepalen, dat aan de aalmoezeniers en Veldpredikers ter zake van door hen als zoodanig te bewijzen diensten eene vergoeding zal worden toegekend door den Minister van Oorlog vast te stellen.
In het eerbiedig vertrouwen dat Uwe Majesteit Zich met bovenstaande voorstellen zal kunnen vereenigen, veroorloof ik mij de vrijheid een in dier zin ontwerp van besluit Hoogstderzelve hierbij ter bekrachtiging aan te bieden.
Opvallend in de voordracht en het besluit is dat per Divisie één aalmoezenier en twee veldpredikers benoemd werden. Dit had niets met tellen van gelovigen van doen. Het aantal aalmoezeniers werd op vier bepaald vanwege de eenheid in de Rooms Katholieke Kerk. Aan veldpredikers werd een dubbel aantal nodig geacht omdat vrijzinnigheid en rechtzinnigheid zo slecht samen gingen. Daarom leek om politieke redenen een gelijke vertegenwoordiging bij de divisie de beste oplossing. Vrijzinnigen hadden tot dan echter weinig belangstelling getoond voor defensie (de eerste "Vereeniging van Vrijzinnig-godsdienstigen voor Militairen en Militaire Tehuizen" kwam in 1916) en bleven in de minderheid. Vier veldpredikers waren hervormd, één gereformeerd, één luthers, één christelijk gereformeerd en één doopsgezind. Door de opperbevelhebber werd een oproep gedaan aan de rrespectieve aalmoezeniers en bveldpredikers om zich te melden. In deze meldingsinstructie stond een hoogstmerkwaardige opmerking over het te dragen uniform. Alleen het hoofddeksel is vastgesteld. Men moest de hoofdofficierspet van het Wapen der Infanterie, met enige aanpassingen dragen. Daarnaast werd vastgesteld dat de rangonderscheidingstekens ter weerszijden van de kraag of op de kraagomslag moest worden gedragen. Verdere voorschriften zouden pas twee jaar later verschijnen.

Op 27 oktober wordt bij Koninklijk Besluit de eerste veldprediker in algemene dienst, Ds A.S. Talma, benoemd en op 6 november 1914 ontvangt hij zijn instructie van de opperbevelhebber. Eén en ander ging buiten de kerken om. De veldprediker in algemene dienst "wijdt zich aan de geestelijke verzorging van de Protestantsche militairen bij de geheele Landmacht, zonder onderscheid van godsdienstige richting en zonder zijnerzijds een bepaalde godsdienstige richting op den voorgrond te stellen". Het aantal Protestantse GV'ers kwam daarbij op negen. Tijdens de mobilisatie vond geen verdere uitbreiding plaats van het aantal veldpredikers. Het aantal aalmoezeniers zou echter nog meer dan verdubbelen. Wel werden er verder nog 24 "hulp-aalmoezeniers" en 24 "reserve-veldpredikers" benoemd. Deze zouden bij daadwerkelijke oorlog worden ingezet. De hulp-aalmoezeniersbleven tijdens de mobilisatie in reserve, terwijl de reserve-veldpredikers ook in de mobilisatietijd al actief waren. Hun insteek was dat zij in oorlogstoijd volledig actief zouden zijn, maar tijdens de mobilisatie al hulpdiensten konden verlenen.

Ook in deze periode werd veel heil verwacht van de militaire tehuizen. Vele tijdelijke tehuizen werden opgericht om de militairen te ondersteunen. Een officiële opgave uit 1918 zegt dat er toen 76 vaste militaire tehuizen waren (40 protestantse en 36 katholieke) en 366 tijdelijke tehuizen (210 protestantse en 156 katholieke). Zo'n tijdelijk tehuis kon overigens zijn ontstaan door een plaatselijke vereniging of een particulier initiatief. Ook plaatselijke predikanten en priesters waren actief. Dr de Visser, de opvolger van Ds Talma en een later minister, getuigde in de Kamer op 16 februari 1917 van zijn dankbaarheid: "Ik heb op het oogeblik, behalve 24 reserve-veldpredikers en de 8 actief dienende veldpredikers ongeveer een honderdtal predikanten om mij heen, die week aan week de godsdienstige belangen van het leger verzorgen". Het aantal assistenten waarover de hoofdaalmoezenier beschikte, was nog aanmerkelijk groter en zijn tevredenheid daarover zeker niet minder groot.

Na de mobilisatie volgde de vraag of het instituut aalmoezeniers en veldpredikers nog nodig was, gezien de terugkeer van het veldleger naar de garnizoenen. De discussie daarover startte al vrij spoedig na begin van de mobilisatie maar begon uiteraard in 1918 van groot belang te worden. De geestelijke verzorger in vredestijd wordt uitgebreid besproken als de Oorlogsbegroting voor 1919 in de Tweede Kamer aan de orde is. In zijn Memorie van Toelichting stelt de minister (G.A.A. Alting von Geusau) onder andere: "Ten einde in de geestelijke verzorging van de militairen naar behoren te kunnen voorzien komt den ondergeteekende de instandhouding van het instituut der veldpredikers en aalmoezeniers noodzakelijk voor." .... "Zij zullen zich geheel aan het werk onder de militairen kunnen wijden; niet alleen zal het tot hunne taak behooren godsdienstoefeningen te houden in kazernes en kampementen, maar vooral ook zullen zij de vraagbaak in geestelijke aangelegenheden moeten zijn voor de vele jonge mannen, die in de jaren waarin de militaire dienst moet worden vervuld, veelal raad en voorlichting behoeven. Ook zal van de legerpredikanten en aalmoezeniers leiding ten aanzien van het leven buiten dienst kunnen uitgaan en zullen zij zich, wanneer noodig in verbinding kunnen stellen met de ouders der dienstplichtigen. Thans worden naar het oordeel van den ondergeteekende de jonge mannen onder dienst in eene voor het geestelijk leven gevaarlijke ontwikkelingsperiode teveel aan zichzelf overgelaten. Voorts zullen de legerpredikanten en aalmoezeniers ook in hospitalen en arrestantenlokalen nuttig werk kunnen verrichten." ...

Na felle discussies in de Kamer en uiteindelijk wat kleine aanpassingen in de voorstellen wordt het begrotingsartikel op 5 maart 1919 door de Tweede Kamer (53 voor, 21 tegen) en ruim een maand later door de Eerste Kamer (24 voor, 2 tegen) goedgekeurd. De wet werd vastgesteld op 10 april 1919. Het instituut legerpredikanten en aalmoezeniers was definitief.


We hebben 10 gasten en geen leden online

↑ Top  

© Kerk en Krijgsmacht 2017    Leden